Wie
op zoek gaat naar de identiteit van Oosterhout, komt al snel
tot de conclusie dat die identiteit is opgebouwd uit een heleboel,
onderling sterk verschillende aspecten. Oosterhout is een
groene gemeente aan de ene kant, maar biedt aan de andere
kant ruimte voor woningbouw en bedrijvigheid. Het is een gemeente
met het voorzieningenniveau van een grote stad, maar tegelijkertijd
toch met de overzichtelijkheid van een kleine gemeenschap.
In Oosterhout weet men flink van aanpakken, maar na flink
aanpakken is er ook tijd en gelegenheid voor vertier en ontspanning.
Een initiatief als Les Copains Culinaires sluit vooral
aan op dat laatste aspect van de Oosterhoutse identiteit.
Oosterhout mag met recht een Bourgondische stad genoemd
worden. Een stad van grote en kleinere feesten het hele
jaar door, van het onvolprezen Kraaiedonkse carnaval via
het Blues & Roots Festival, van Floralia Country tot
de Oosterhoutse kermis. Een stad bovendien die een naam
heeft hoog te houden op culinair gebied.
Wie een bezoek brengt aan de Markt en omgeving of de Heuvel
– waar de meeste horecagelegenheden zijn gevestigd
– weet zich geconfronteerd met een waaier aan culinaire
voorzieningen. Van eenvoudige eetcafés tot haute
cuisine, van traditionele brasserieën tot trendy fusion-restaurants
, Oosterhout biedt het allemaal.
Nu is dat niet iets van de laatste tijd. Al in de vorige
eeuw stond Oosterhout bekend om zijn gastvrijheid. Zo beschreef
Nicolaas Beets in zijn Camera Obscura de lotgevallen van
de Oosterhoutse herbergierster Mooie Keetje, die tot ver
buiten de gemeentegrenzen vermaard was. (Mocht uw belangstelling
gewekt zijn: Mooie Keetje is nog steeds, maar dan in brons
gegoten, in Oosterhouts binnenstad terug te vinden, op de
kruising van Mathildastraat en Leijsenhoek).
En, zo gebiedt de eerlijkheid te zeggen, de stadsbestuurders
hebben in het verleden – ongewild – hun best
gedaan om het beeld te versterken van Oosterhout als een
typisch Bourgondische gemeente, waar het goed eten en drinken
is. Neem bijvoorbeeld de expeditie die het gemeentebestuur
begin deze eeuw ondernam naar Den Haag, om daar de noodzaak
van de aanleg van een spoorlijn langs Oosterhout te bepleiten.
Na een lange toch eenmaal in de residentie aangekomen, besloot
het gezelschap eerst aan de dis te gaan. Toen men eenmaal
bij het ministerie aanklopte, was het college van Gilze
en Rijen al langs geweest en was het pleit al beslecht:
Gilze en Rijen kreeg zijn station, Oosterhout kon (en kan,
helaas) er nog steeds naar fluiten.
Het is een anekdote die voeding heeft gegeven aan de gevleugelde
woorden “Eerst eten, zeggen ze in Oosterhout”.
En de Oosterhoutse carnavalsstichting noemt zich niet voor
niets “De smulnarren”.
Kortom, het is niet verwonderlijk dat een vereniging als
Les Copains Culinaires juist in Oosterhout bijzonder goed
kan floreren. Want eten en Oosterhout zijn nu eenmaal, door
de jaren heen, een twee-eenheid gebleken.